Oude IJsselstreek werd in 2024 uitgeroepen tot Meest toegankelijke gemeente van Nederland, voor een periode van drie jaar. De samenwerking met Stichting Onbeperkt Meedoen, waarin ervaringsdeskundigen hun kennis inbrengen, blijkt belangrijk in dit verhaal. Maar hoe werkt die samenwerking in de openbare ruimte? Esther Pol (links) en Peter Blom (midden) van de gemeente en stichtingsvoorzitter Martin Reijntjes (rechts) vertellen over korte lijnen en veranderende inzichten.
Als Peter Blom een ontwerp voor een straat bekijkt, stelt hij zichzelf tegenwoordig andere vragen dan pakweg tien jaar geleden. “Toen keek ik vooral: is het mooi? En dacht ik vaak vanuit het beheer: hoe houden we de kosten laag? Nu kijk ik of de looproutes goed bereikbaar zijn. Maar ook: staan er objecten op plekken waar ze problemen geven? Kun je veilig oversteken?”
Peter is adviseur beheer openbare ruimte bij de gemeente Oude IJsselstreek. Enige jaren geleden was het niet zo vanzelfsprekend om te kijken naar de openbare ruimte vanuit het perspectief van mensen met een beperking, vertelt hij eerlijk. Inmiddels krijgt toegankelijkheid weer nadrukkelijker een plaats bij de inrichting en het beheer van straten en routes. De ervaringen van inwoners helpen daarbij. “Ik heb direct contact met mensen die slecht zien. Zij wijzen me op dingen waarvan ik denk: ja, dat is een goede opmerking. Daar moeten we naar kijken.”
Veel van die inwoners zijn actief bij Stichting Onbeperkt Meedoen. De stichting en de gemeente werken al jaren samen. Toen Oude IJsselstreek in 2024 werd uitgeroepen tot Meest toegankelijke gemeente van Nederland, wees de jury nadrukkelijk op die samenwerking. Esther, bij de gemeente betrokken bij de uitvoering van het inclusiebeleid, ziet de titel als erkenning voor een ontwikkeling die veel eerder begon.
Inspiratie en startpunt
Het startpunt lag in 2016, het jaar waarin Nederland het VN-verdrag Handicap goedkeurde. De gemeente organiseerde een bijeenkomst en nodigde inwoners uit om mee te denken over toegankelijkheid. Toenmalig burgemeester Otwin van Dijk, zelf rolstoelgebruiker, was volgens Esther een belangrijke aanjager. “Die avond was echt een inspiratie en een startpunt. Aan het einde vroegen we wie er ook daarna actief wilde meedenken. Daar is de werkgroep Onbeperkt Meedoen uit ontstaan.”
En die werkgroep groeide uit tot een stichting. Sommige deelnemers van het eerste uur zijn nog altijd betrokken, maar ook nieuwe mensen sloten zich aan. De groep heeft daardoor kennis uit uiteenlopende dagelijkse ervaringen. Er zijn onder meer mensen bij die blind zijn, slecht horen, een rolstoel gebruiken of leven met niet-aangeboren hersenletsel. Volgens Esther is die breedte belangrijk. “Voor iemand met een geleidehond kan een obstakel houvast bieden, terwijl datzelfde obstakel voor iemand in een rolstoel juist in de weg staat.”
De gemeente koos ervoor de samenwerking een vaste plaats te geven. Vier keer per jaar overleggen stichting, medewerkers en een wethouder. De stichting brengt daarbij zelf onderwerpen in. Over concrete projecten hebben de betrokken medewerkers en ervaringsdeskundigen ook rechtstreeks contact. “Het is niet: laten we hen bij dit onderwerp eens een keer vragen”, zegt Esther. “Door dat structurele overleg kun je elkaar op andere momenten ook gemakkelijk vinden.”
Martin merkt wat die korte lijnen opleveren. “Als wij bijvoorbeeld zien dat een doorgang te smal is voor een scootmobiel, hebben we contactpersonen bij de gemeente die we kunnen bellen. Vaak wordt het dan snel opgelost. Die samenwerking is echt goed.” De stichting hoeft niet telkens uit te leggen waarom zij wil meepraten: haar rol is in de loop van de jaren gegroeid.
Draagvlak en bewustwording
In die jaren gebeurde er veel, vertelt Esther. De gemeente liet locaties op toegankelijkheid toetsen en werkte met ondernemers aan beter toegankelijke winkels. Leden van de stichting hielpen met het benaderen van ondernemers bij de zogenoemde MKB Toegankelijke route. “Ervaringsdeskundigen kunnen heel goed uitleggen waarom het belangrijk is om mee te doen”, zegt ze. De stichting dacht ook mee over toeristische handbikeroutes en adviseert over de toegankelijkheid van evenementen.
Soms gaat het om de inrichting van een plek, soms om het gebruik ervan. Zo vroeg de gemeente de stichting mee te kijken naar een bestaand gebouw waarin gemeentelijke diensten zouden worden ondergebracht. “Er waren twee verdiepingen, maar in het eerste plan zat geen lift”, vertelt Martin. “Dan geven wij aan dat die essentieel is als iemand in een rolstoel ook boven moet kunnen komen.” Hij waardeert het dat de stichting in zulke situaties vroeg wordt uitgenodigd.
Ook buiten het gemeentehuis probeert Esther mensen bij het onderwerp te betrekken. De campagne ‘Bak opzij, stoep vrij’ liet inwoners zien wat een container, fiets of geparkeerde auto op de stoep kan betekenen voor iemand met een rollator, kinderwagen of rolstoel. Medewerkers en raadsleden gingen eveneens met ervaringsdeskundigen in gesprek. Esther: “Je kunt iemand even in een rolstoel laten zitten, maar dan weet die persoon nog niet wat iemand dagelijks meemaakt. Juist het gesprek daarover helpt.”
Daarnaast waren er trainingen voor medewerkers, bijvoorbeeld over het contact met bezoekers die slecht horen. Binnen de organisatie zijn nu op verschillende beleidsterreinen inclusieambassadeurs actief. Zij houden het onderwerp onder de aandacht van collega’s en bespreken wat er gebeurt en wat nog op stapel staat. “We moeten daar steeds aandacht aan geven”, zegt Esther. “Mensen wisselen van functie en er komen nieuwe bestuurders. Je moet elkaar blijven bijpraten en ook de successen delen. Dat werkt heel goed om elkaar scherp te houden.”
Meer tussen de oren
Voor Peter is de volgende stap dat toegankelijkheid bij ieder project in de openbare ruimte vanzelfsprekend wordt meegenomen. In het programma van eisen krijgt het onderwerp steeds meer plek. “Soms moet ik bij een projectleider nog even aan de bel trekken: jongens, houd hier rekening mee. Maar het zit weer meer tussen de oren.”
Hij ziet mogelijkheden om ook bij regulier onderhoud verbeteringen aan te brengen. Als de markering van een weg wordt vernieuwd, kijkt zijn team bijvoorbeeld waar een witte kantlijn een fietspad beter zichtbaar kan maken. Er is aandacht voor oversteekmogelijkheden. Met een collega liep Peter bovendien routes na vanaf zorglocaties naar voorzieningen in een dorpskern. “Hoe kom je gemakkelijk bij het centrum, een bushalte of een sportaccommodatie? Als je die route zelf loopt, zie je al veel. Het liefst doe je dat met de mensen die hem gebruiken, want die zien nog meer.”
Voor toegankelijke looproutes en bushaltes liggen al plannen klaar. De haltes zijn geïnventariseerd en ook is in kaart gebracht wat eventuele aanpassingen zouden kosten. Maar eerlijk is eerlijk: de uitvoering vraagt nog besluiten en middelen. Peter zou daarin graag sneller stappen zetten. “We willen van alles, maar tijd en geld spelen ook mee. Wat we binnen het onderhoud kunnen doen, doen we.” Dat de gemeente hiervoor een plan uitwerkt, laat volgens hem tegelijk zien dat toegankelijkheid inmiddels een serieus onderdeel van het werk is.
Passend onderhoud
De ruimte om mee te denken betekent dat de stichting ook kan zeggen waar het beter moet. Martin geeft een voorbeeld dat nauw aansluit bij Peters werk: witte kantstrepen langs een fietspad, bedoeld als houvast voor mensen die slecht zien. “Die zijn aangebracht, maar inmiddels groeit het gras eroverheen. Dan zie je de strepen bijna niet meer.” De stichting heeft dat gemeld. Voor hem laat het zien dat een toegankelijke inrichting ook passend onderhoud vraagt.
Hij noemt daarnaast auto’s en aanhangers die soms de stoep blokkeren. Leden van de stichting zijn met handhavers op pad geweest om te laten zien wat dat betekent. Martin hoopt dat de gemeente daar vaker tegen optreedt. “Anders moet iemand met een rolstoel of scootmobiel de weg op. We blijven dat aangeven, juist omdat we willen dat mensen zich veilig kunnen verplaatsen.”
Esther en Peter herkennen dat goede bedoelingen alleen niet voldoende zijn om alles meteen op te lossen. Martin ziet op zijn beurt dat de gemeente de stichting serieus neemt, ook wanneer haar boodschap kritisch is. “Natuurlijk snap ik dat niet alles kan. Een gemeente heeft ook met geld en andere werkzaamheden te maken. Maar als iets niet kan, wees daar dan eerlijk over. En neem serieus wat mensen aangeven.”
Oude IJsselstreek heeft dus echt werk gemaakt van het contact met ervaringsdeskundigen en probeert dat gesprek continu te blijven voeren. “Ik kijk nu heel anders naar de openbare ruimte dan tien jaar geleden”, zegt Peter tot slot. “Je bent je veel meer bewust van al die verschillende gebruikers en belangen.” Esther hoort dat geluid op veel plekken binnen de organisatie. “Inclusie is van iedereen. Samen maken we het verschil.”
Openbare ruimten worden nog vaak ontworpen vanuit een mannelijk perspectief. Volgens professor Nourhan Bassam, auteur van The Gendered City, leidt dit...