Nieuwsbericht

Hoe benut je ervaringskennis voor een toegankelijke openbare ruimte?

30 oktober 2026 | 5 minuten lezen

Een te smalle stoep, een ontbrekende geleidelijn, een onbereikbare speelplek: inwoners merken dagelijks hoe toegankelijk de openbare ruimte in werkelijkheid is. Gemeenten hebben die kennis nodig bij het maken van plannen. Maar hoe zorg je dat ervaringsdeskundigen meteen bij het begin van een ontwerp worden betrokken? Daarover gaan we in gesprek met Peter Eggen en Paul Imthorn van de Coalitie voor Inclusie, en Jeroen de Haan-Rissmann van Movisie.


Voor dit verhaal zoomen we in op de gemeente Nijmegen, maar kijken we ook naar andere plekken in Nederland waar gemeenten hun best doen om die samenwerking met ervaringsdeskundigen te verbeteren.

In Nijmegen bestaat een lange traditie van belangenbehartiging door mensen met een beperking. Het Zelfregiecentrum, waar Peter Eggen werkt, heeft daarin als stichting een eigen positie. Ervaringsdeskundigen denken mee over gemeentelijke plannen, maar kunnen ook zelf onderwerpen agenderen. Als het nodig is, spreken ze de gemeenteraad toe. Die zelfstandigheid is volgens Peter belangrijk: “Je moet openstaan voor elkaars perspectief. Je gaat met elkaar in gesprek en weet elkaar te vinden.”

Paul Imthorn kent de samenwerking van beide kanten. Hij werkt voor de landelijke Coalitie voor Inclusie en was de afgelopen vier jaar betrokken bij de inclusieagenda van Nijmegen. In beide rollen vanuit het VN-verdrag Handicap, voor de rechten van mensen met een beperking. Daarnaast onderzoeken hij en Peter vanuit de Coalitie voor Inclusie in opdracht van het Bartiméus Fonds hoe gemeenten de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte organiseren en hoe je goed kunt samenwerken met ervaringsdeskundigen.

Ze spraken onder meer met gemeenten en lokale platforms. Wat direct opviel, waren de grote verschillen, vertelt Paul. Op sommige plekken is er sprake van een stevige en onafhankelijke organisatie, terwijl elders ervaringsdeskundige inwoners zich als vrijwilligers georganiseerd hebben. Elk met hun eigen werkwijze en invloedsfeer. Wat ook opvalt: de betrokkenheid bij de Lokale Inclusie Agenda (LIA) blijkt overal wel georganiseerd.

Melding met andere lading

Even terug naar het oerbeeld van ‘de losse stoeptegel’. Wie goed ter been is, zal zich er niet al te veel aan storen. Maar voor iemand met een beperking kan zo’n tegel een groot obstakel zijn, legt Peter uit. Een melding hierover heeft dan een wat andere lading. “Als het daarna een eeuwigheid duurt voordat hij wordt rechtgelegd, doet dat iets met het vertrouwen”, zegt Peter. “Je moet de verbinding maken tussen wat iemand buiten ervaart en wat er binnen de gemeente gebeurt.”

Die verbinding vraagt om meer dan een periodiek overleg. In Nijmegen is toegankelijkheid ook vastgelegd in een gemeentelijk handboek met richtlijnen voor toegankelijkheid van de openbare ruimte. Paul zag hoe een ambtenaar daarvoor collega’s meekreeg en de samenwerking zocht met mensen voor wie die richtlijnen verschil maken. “Je kunt dan naast samen opstellen ook samen toetsen: klopt het volgens het handboek? Maar ook: werkt het in de praktijk voor iemand die niet kan zien?”

Niet iedere ervaringsdeskundige vervult daarbij dezelfde rol. De één brengt eigen ervaringen in, een ander kent de ervaringen van een bredere groep. Weer een ander meet ook de hellingshoek van een route of toetst een ontwerp aan technische richtlijnen. Volgens Paul moeten gemeenten niet aannemen dat iedere betrokkene alles kan of wil doen. “Sommige mensen zeggen: die technische kennis moet de gemeente zelf in huis hebben. Anderen nemen die graag mee. Spreek af welke bijdrage je van iemand vraagt en benut de kwaliteit van diegene die zich inzet.”

Peter ziet daarom waarde in een coördinator die de mensen en hun kennis kent. “Dan kun je bij een vraag kijken: welke ervaring en expertise hebben we hiervoor nodig? En komt deze persoon in deze rol goed tot zijn recht?” Ook begeleiding en een passende vergoeding horen volgens de gesprekspartners bij een duurzame samenwerking. Een platform dat elke week tijd investeert, heeft meer nodig dan een uitnodiging en een kop koffie.

Verschillende stemmen

Jeroen de Haan-Rissmann werkt bij Movisie aan ervaringsdeskundigheid. Hij ziet dat steeds meer gemeenten zoeken naar een blijvende samenwerking met inwoners. Daarbij helpt het om precies te zijn over wie er aan tafel zit. Een inwoner die boos is over een ontoegankelijke straat brengt een belangrijke ervaring in. Een ervaringsdeskundige kan die ervaring ook verbinden met wat anderen meemaken en met de gevolgen voor hun dagelijks leven.

“Die boosheid kan heel terecht zijn”, zegt Jeroen. “Maar als je alle bijdragen op één hoop gooit, wordt het moeilijk om te zien welke kennis je aan tafel hebt.” Het antwoord is volgens hem niet om alleen geoefende sprekers uit te nodigen. Juist de mensen die hun verhaal minder gemakkelijk vertellen, moeten gehoord worden. Wel moeten gemeente en deelnemers samen duidelijk maken wat ieders rol is en hoeveel invloed zij hebben.

Dat gesprek kost aan het begin tijd. Jeroen begrijpt dat ambtenaren opzien tegen nog een overleg, zeker als de werkdruk hoog is. Toch verwacht hij dat vroeg samenwerken later werk bespaart. “Aan de voorkant wordt het complexer: je brengt verschillende perspectieven bij elkaar. Maar wat je daar aan tijd investeert, kun je aan de achterkant terugwinnen.”

Een speelplek laat zien waarom. Bij gewone buurtparticipatie kunnen bewoners vertellen welke toestellen ze mooi vinden. Voor een kind met een beperking is er óók de vraag of het daar samen met andere kinderen kan spelen. En kan een grootouder in een rolstoel de plek bereiken? “Die impact op iemands leven is veel groter dan de keuze voor het ene of het andere toestel”, zegt Paul. In Nijmegen is een begin gemaakt om ouders en kinderen met een beperking bij ontwerpen van speeltuinen te betrekken.

Ongevraagd advies

Paul ziet bij gemeenten waar de samenwerking goed loopt een combinatie van voorwaarden. Bestuurders voelen zich verantwoordelijk, zowel in het sociale als in het fysieke domein. Er is een onafhankelijk platform dat mensen kan ondersteunen in hun werk als ervaringsdeskundige en ook ongevraagd advies kan geven. De gemeente vertaalt haar ambities naar richtlijnen en opdrachten voor ontwerp en beheer. Vervolgens kijkt zij of de buitenruimte ook werkelijk bruikbaar is en pakt zij signalen en meldingen op.

“Toegankelijkheid moet een plek krijgen in de afwegingen die je toch al maakt”, zegt Paul. Bij een herinrichting staan groen, klimaat en verkeersveiligheid doorgaans op de agenda. De vraag of mensen met verschillende beperkingen de plek kunnen gebruiken, hoort daar vanaf het begin bij. Die vraag moet niet pas aan de orde komen als het ontwerp al grotendeels vastligt.

Daarbij kunnen opdrachtgever, ervaringsdeskundige en inhoudsdeskundige samenwerken: de zogenoemde gouden driehoek. Ieder brengt andere kennis mee. De ervaringsdeskundige vertelt wat een route of plein in het gebruik betekent, de inhoudsdeskundige kan dat verbinden met ontwerpoplossingen en richtlijnen, de gemeente kan die kennis opnemen in haar opdracht en besluiten. Jeroen benadrukt dat die perspectieven elkaar werkelijk moeten ontmoeten. Alleen luisteren naar een ervaringsverhaal, zonder samen naar de ontwerpkeuzes te kijken, is nog geen gezamenlijke aanpak.

Terugkoppelen en doorgaan

Movisie beschrijft het benutten van ervaringskennis als een doorlopend proces: ervaringen ophalen, samen duiden, beleid of uitvoering aanpassen, en evalueren en terugkoppelen. Vooral die laatste stap verdient aandacht, vindt Peter. “Laat concreet weten wat er met iemands inbreng is gebeurd. Ook als iets niet kan, moet je dat uitleggen. Anders raken mensen gedemotiveerd.”

Een geslaagd project is geen reden om het gesprek af te sluiten. “Dan denken mensen soms: nu weten we wel hoe een speeltuin of een stoep moet worden ingericht”, zegt Jeroen. Maar de gebruikers, de plek en de vragen veranderen. Ook ambtenaren en bestuurders wisselen. Leg de samenwerking daarom vast in beleid en werkwijzen, zodat een nieuwe collega weet wie vroeg bij een project betrokken moet worden.

Voor gemeenten die nog geen sterk lokaal platform hebben, bestaat volgens Paul geen standaardmodel. De gesprekken in het onderzoek laten zien hoeveel verschillende vormen er zijn. “Dus begin met de mensen en organisaties die al actief zijn, bespreek wat zij nodig hebben en geef ruimte om zelf onderwerpen aan te dragen.” Een goede structuur en facilitering zijn dus belangrijk. “Dan kan iedereen zijn rol vervullen en zien we dat mensen tevredener zijn en grotere stappen zetten.”

Meer lezen